NTVH - 2021, nummer Special, july 2021
Drs. S. Kennes , dr. P.G.N.J. Mutsaers
De oorzaken van (hyper)eosinofilie en het hypereosinofiel syndroom (HES) zijn zeer uiteenlopend en de symptomen kunnen variëren tussen mild en levensbedreigend. De huidige criteria en classificatie zijn niet eenduidig, maar met behulp van de toegenomen kennis van onderliggende moleculaire en cytogenetische afwijkingen lukt het in de meeste gevallen een diagnose te stellen en een gerichte behandeling in te stellen. Naast het stellen van de diagnose moet tevens de aanwezigheid van orgaanschade in kaart worden gebracht, waarbij het hart speciale aandacht verdient, aangezien cardiale schade de belangrijkste doodsoorzaak is. Gerichte behandeling dient, naast reductie in aantal eosinofiele granulocyten, ook ter behandeling en voorkoming van orgaanschade en geadviseerd wordt om tijdig te starten met steroïdsparende therapie. In sporadische gevallen van HES zonder etiologie kan, bij afwezigheid van orgaanschade, soms een afwachtend beleid worden gevoerd mits er frequente en doelgerichte opvolging wordt verricht. Voor refractaire HES is anti-IL-5-therapie veilig en effectief.
(NED TIJDSCHR HEMATOL 2021;18:206-15)
Lees verderNTVH - 2021, nummer 4, june 2021
dr. V.H.J. van der Velden , dr. I.S. Nijhof , dr. A.C. Bloem
Door de komst en implementatie van nieuwe behandelingen is het percentage patiënten met een multipel myeloom dat een diepe respons bereikt fors toegenomen. Het meten van de respons door het detecteren van minimale restziekte (MRD) blijkt een sterke prognostische factor. In dit artikel zal de flowcytometrische analyse van MRD bij patiënten met multipel myeloom worden besproken, met aandacht voor de laboratoriumaspecten en de klinische toepasbaarheid.
(NED TIJDSCHR HEMATOL 2021;18:145-52)
Lees verderNTVH - 2021, nummer 4, june 2021
drs. E.A. de Kort , R.J.H.M. Verheggen MSc, dr. R.J.M. Brüggemann , prof. dr. N.M.A. Blijlevens
Een toenemend aantal patiënten met een hematologische maligniteit wordt behandeld met nieuwe oncolytica zoals ‘targeted’ en/of immuun-cellulaire therapie. In deze groep patiënten worden invasieve schimmelinfecties steeds vaker gerapporteerd. In dit artikel bespreken we aan de hand van recente literatuur de effecten die deze behandelingen hebben op de immuniteit, het voorkomen van invasieve schimmelinfecties bij deze patiënten en de rol van primaire antifungale profylaxe tijdens therapie.
(NED TIJDSCHR HEMATOL 2021;18:153-61)
Lees verderNTVH - 2021, nummer 3, april 2021
ing. A.J. Scholten , drs. H. Shirango , R. Wolf , dr. J.B. de Kok
Bij patiënten met een vergrote lymfeklier wordt veelal een cytologische punctie uitgevoerd om een reactief beeld te onderscheiden van een mogelijke aanwezigheid van (hematologische) maligniteit. In deze studie hebben we geanalyseerd in hoeverre immuunfenotypering door middel van multicolor flowcytometrie aan de cytologische beoordeling kan bijdragen. De uitslagen van de morfologie en immuunfenotypering van puncties zijn hiertoe afzonderlijk vergeleken met de uiteindelijke histologische diagnose na klierverwijdering. Dit onderzoek werd uitgevoerd op 302 lymfeklierpuncties. Bij 118 puncties was er een verdenking op hematologische maligniteit ofwel bij de morfologische beoordeling ofwel door flowcytometrie. In 24 van deze puncties was morfologisch sprake van een reactief beeld, terwijl flowcytometrie een aanwijzing liet zien voor een maligne kloon. In 21 van deze 24 daarna verwijderde klieren werd de aanwezigheid van een hematologische maligniteit bevestigd door middel van immuunhistologie. Deze bevindingen laten een aanzienlijke toegevoegde waarde zien van flowcytometrie op de morfologische beoordeling van een cytologische punctie bij de besluitvorming of een klier reactief is (geen extirpatie) of maligne (histologische bevestiging op totale klier).
(NED TIJDSCHR HEMATOL 2021;18:104-9)
Lees verderNTVH - 2021, nummer 3, april 2021
drs. E.G.G.M. Rutten , A.V. de Jonge , dr. K.H. Lam , dr. A. Diepstra , dr. K. Hebeda , dr. R.E. Kibbelaar , dr. L. Koens , dr. M. van den Brand , dr. P.M. Jansen , ing. N.J. Hijmering , ing. P. Stathi , dr. S. van der Velde , dr. M.S. Kartachova , drs. W.H.F. Huijgen , drs. L.H. Böhmer , prof. dr. M.J. Kersten , dr. P.J. Lugtenburg , dr. M. Nijland , dr. J.S. Vermaat , dr. M.E.D. Chamuleau , prof. dr. D. de Jong
Weefselonderzoek is vrijwel altijd noodzakelijk voor de diagnostiek en classificatie van maligne lymfomen. Hiervoor zijn verschillende verkrijgingstechnieken beschikbaar: cytologisch punctieonderzoek, dikkenaaldbiopten (DNB), incisiebiopten en gehele lymfeklierexcisies. Hoewel nationale en internationale richtlijnen de laatste twee methoden adviseren, is er veel discussie of dikkenaaldbiopten geschikt zijn voor lymfoomdiagnostiek. In dit ‘position paper’ bespreken we in hoeverre diagnostiek op basis van een DNB voldoende is voor de huidige en toekomstige eisen, wat de consequenties zijn voor wetenschappelijk onderzoek (aan de hand van de HOVON 900-registratiedatabase als voorbeeld) en welke verbeteringen mogelijk zijn.
(NED TIJDSCHR HEMATOL 2021;18:110-17)
Lees verderNTVH - 2021, nummer 2, march 2021
dr. J. Damoiseaux , dr. E.P.A. Kramer , dr. V.H.J. van der Velden
Monoklonale antistoffen, samengevat onder de noemer ‘biologicals’, worden in snel toenemende mate klinisch toegepast om de functie van moleculen of cellen van het immuunsysteem uit te schakelen. Dat hierbij een specifieke immuundeficiëntie wordt veroorzaakt, wordt op de koop toe genomen. Met name bij langdurig gebruik van dergelijke ‘biologicals’ neemt het risico op infecties toe. Door middel van adequate immuunmonitoring kan een goede afweging worden gemaakt in de balans tussen behandeling van onderliggend lijden en infectieuze complicaties. In dit artikel worden aan de hand van B-celdepletie, met name op basis van CD20-therapie, de mogelijkheden en het belang van immuunmonitoring toegelicht. Hoewel er voor toepassing in de klinische praktijk nog weinig onderzoeken zijn om immuunmonitoring in klinische en laboratoriumprotocollen te ondervangen, wordt hier een voorzet gegeven.
(NED TIJDSCHR HEMATOL 2021;18:60-7)
Lees verderNTVH - 2021, nummer 2, march 2021
drs. A.M. Spanjaart , prof. dr. M.J. Kersten , prof. dr. M.C. Minnema , dr. M. Jak , dr. P.J. Lugtenburg , dr. P.G.N.J. Mutsaers , drs. J.A. van Doesum , dr. L. Groneck , dr. I.S. Nijhof , dr. M.W.M. van der Poel , dr. J.S. Vermaat , dr. S. van Dorp , dr. T. van Meerten
Anti-CD19-CAR-T-celbehandeling is een nieuwe innovatieve behandeling voor patiënten met een recidief of refractair diffuus grootcellig B-cellymfoom (DLBCL, waaronder ook hooggradig B-cellymfoom, getransformeerd folliculair lymfoom en primair mediastinaal B-cellymfoom). Sinds 1 mei 2020 wordt axicabtagene ciloleucel (axi-cel, Yescarta) volledig vergoed vanuit het basispakket en wordt deze behandeling gegeven in gekwalificeerde academische ziekenhuizen. Axi-cel is geregistreerd op basis van de ZUMA-1-studie, waarbij patiënten met een snel recidief of refractair DLBCL na minimaal twee eerdere lijnen systeemtherapie werden behandeld en de 2-jaars progressievrije overleving bijna 40% was. De productie van CAR-T-cellen is tijdrovend, logistiek complex en er is vaak een overbruggende therapie nodig tussen afname van de T-cellen en teruggave van de CAR-T-cellen. De bijwerkingen kunnen hevig zijn en dienen te worden opgevangen door een multidisciplinair team. Gezien de kostbaarheid en complexiteit van de behandeling en de wens doelmatige en effectieve zorg te leveren is een landelijke CAR-T-tumorboard opgericht. Hieraan nemen vertegenwoordigers van de CAR-T-behandelcentra deel en hierin worden alle verwezen patiënten besproken. In dit artikel wordt de werkwijze van de tumorboard beschreven, welke patiënten in aanmerking komen voor anti-CD19-CAR-T-celbehandeling en hoe patiënten kunnen worden verwezen. Tevens geven we een overzicht van de patiënten die sinds het voorjaar zijn verwezen voor behandeling met axi-cel en blikken vooruit op geplande studies.
(NED TIJDSCHR HEMATOL 2021;18:68-76)
Lees verder