NTVH - 2015, nummer 6, september 2015
dr. M. Aldenhoven , dr. C.E.M. Hollak , dr. J.J. Boelens
Het fatale beloop van een selecte groep patiënten met een lysosomale stapelingsziekte kan positief worden beïnvloed door een allogene hematopoëtische stamceltransplantatie (allogene HSCT). Recentelijk zijn aan de hand van verschillende internationale studies de transplantatierichtlijnen voor patiënten met lysosomale stapelingsziekten aangepast. Dit heeft geleid tot een spectaculaire verbetering van zowel de veiligheid als de effectiviteit. Inmiddels is de kans op een succesvolle allogene HSCT bij patiënten met het syndroom van Hurler meer dan 95%, waar dit tot 10 jaar geleden slechts rond 50% lag. Dit succes is met name behaald door het gebruik van minder toxische, myeloablatieve conditionering op maat en een duidelijke hiërarchie ten aanzien van een geschikte stamceldonor. Zo wordt er bij deze ziektebeelden steeds meer gebruikgemaakt van stamcellen verkregen uit onverwant navelstrengbloed. Daarnaast blijkt dat patiënten zo jong mogelijk getransplanteerd moeten worden en dat het enzymtekort volledig moet worden gecorrigeerd voor de beste prognose op lange termijn. Het vroegtijdig opsporen van patiënten door middel van de hielprik, nog voordat onherstelbare schade is opgetreden, zou hierbij een belangrijke rol kunnen gaan spelen. Daarnaast zou in de toekomst gentherapie, als minder toxische en meer effectieve behandeling, meer algemeen kunnen worden toegepast bij deze ziektebeelden.
(NED TIJDSCHR HEMATOL 2015;12:225–32)
Lees verderNTVH - 2015, nummer 5, july 2015
drs. J.M. Munneke , dr. M.D. Hazenberg
Een gezond persoon wordt regelmatig blootgesteld aan pathogenen, maar is slechts zelden ziek. Een belangrijke eerste lijn van verdediging wordt gevormd door het aangeboren immuunsysteem. Immuuncellen zoals macrofagen, dendritische cellen, granulocyten, mestcellen en NK-cellen gelokaliseerd onder het epitheel van barrièreoppervlakten maken het onderscheid tussen commensalen en pathogenen. Hierdoor is vreedzame samenleving met niet-pathogenen mogelijk en wordt alleen een immuunrespons in gang gezet wanneer dat nodig is. In het geval van een infectie is het aangeboren immuunsysteem binnen minuten tot uren actief. In veel gevallen zal hierdoor een mogelijke dreiging in de kiem zijn gesmoord en is het in actie komen van B- en T-lymfocyten van het adaptieve systeem niet nodig. Recentelijk werden ‘innate lymphoid cells’ (ILC’s; aangeboren lymfoïde cellen) als nieuwe spelers van het aangeboren immuunsysteem geïdentificeerd. In verschillende fysiologische en pathologische processen is het belang van ILC’s inmiddels onderstreept. ILC’s spelen een cruciale rol in de aangeboren immuniteit en dragen bij aan de homeostase en het herstel van epitheliale weefsels. Ook na chemotherapie, wanneer de mucosale barrière is verstoord, lijkt er een rol voor ILC’s in het herstel van beschadigde weefsels. Mucositis is een belangrijke risicofactor voor graft-versus-hostziekte en patiënten met voldoende geactiveerde ILC’s voorafgaand aan transplantatie lijken beschermd te zijn tegen deze complicaties.
(NED TIJDSCHR HEMATOL 2015;12:166–72)
Lees verderNTVH - 2015, nummer 5, july 2015
dr. D. Posthouwer
Onder virale hepatitis wordt hepatitis A tot en met E verstaan. Met name hepatitis B, C en E kunnen een belangrijk risico vormen voor de hematologische patiënt als deze wordt blootgesteld aan immuunsuppressiva dan wel (immuun)chemotherapie. In dit artikel wordt ingegaan op welke risico’s hepatitis B, C en E kunnen geven, welke diagnostiek moet worden verricht en ten slotte waaruit de follow-up bestaat en welke behandeling kan worden toegepast.
(NED TIJDSCHR HEMATOL 2015;12:174–9)
Lees verderNTVH - 2015, nummer 4, june 2015
dr. A.E. Marneth , dr. W.L. van Heerde , dr. B. van der Reijden
Bloedplaatjes worden geactiveerd op plaatsen waar de vaatwand is beschadigd. Na deze activering scheiden plaatjes eiwitten uit waarmee de vorming van een bloedplaatjesprop wordt bevorderd. De organellen waar het merendeel van deze eiwitten in opgeslagen liggen, zijn de zogenoemde α-granules. Patiënten met defecte of onvoldoende α-granules in hun bloedplaatjes kunnen (spontane) bloedingen hebben. Normaal gesproken kleuren bloedplaatjes paars aan op een bloeduitstrijk door de aanwezigheid van α-granules. Bloedplaatjes met een sterke reductie van α-granules zijn echter grijs op een bloeduitstrijk. In dit overzichtsartikel worden genen besproken die zijn gemuteerd bij patiënten met erfelijke bloedingsneigingen en met morfologisch afwijkende of een tekort aan α-granules.
(NED TIJDSCHR HEMATOL 2015;12:120–31)
Lees verderNTVH - 2015, nummer 3, april 2015
dr. A.W. Rijneveld , dr. I.M. van der Sluis
Asparaginase is een belangrijk onderdeel van de behandeling van acute lymfoblastaire leukemie. Er kunnen echter antistoffen ontstaan die gericht zijn tegen asparaginase, die aanleiding geven tot een klinische allergie danwel stille inactivatie. Als asparaginase niet in optimale dosis kan worden gegeven of wordt geïnactiveerd door antistoffen, vermindert dat de overleving bij kinderen met 10–15%. Daarom is het van belang bij patiënten die overgevoelig blijken voor asparaginase of die patiënten die bij het meten van de asparaginase-activiteit een verlaagde spiegel hebben, de afweging te maken om te switchen naar een andere soort asparaginase of de dosering van asparaginase aan te passen. In de huidige HOVON 100-studie wordt om die reden nu ook de activiteit gemeten bij patiënten jonger dan 40 jaar en wordt er een advies gegeven als de spiegel afwijkend is.
(NED TIJDSCHR HEMATOL 2015;12:83–7)
Lees verderNTVH - 2015, nummer 3, april 2015
drs. K. Dautzenberg , drs. L.T. van Eijk , prof. dr. D.W. Swinkels , prof. dr. P. Pickkers
Redistributie van ijzer als gevolg van inflammatie-geïnduceerde hepcidineproductie staat centraal in de pathofysiologie van inflammatie-geïnduceerde anemie. Hoewel er in preklinisch onderzoek versc hillende therapieën worden ontwikkeld gericht op modulatie van hepcidine, was er tot voor kort nog geen antihepcidinetherapie beschikbaar voor toediening aan mensen. Lexaptepid, een antihepcidine Spiegelmer, is het eerste middel in zijn soort dat in studieverband aan mensen kan worden toegediend. In een ‘proof-of-concept’ toonden wij recentelijk aan dat het mogelijk is om het effect van inflammatie-geïnduceerde hepcidine op de ijzerhomeostase te antagoneren. Daarmee is farmacologische beïnvloeding van hepcidine als adjuvante therapie in de behandeling van inflammatie-geïnduceerde anemie een stap dichterbij gekomen.
(NED TIJDSCHR HEMATOL 2015;12:88–93)
Lees verderNTVH - 2015, nummer 2, march 2015
dr. A.G. Dinmohamed , dr. O. Visser , dr., ir. Y. van Norden , prof. dr. P.C. Huijgens , prof. dr. P. Sonneveld , prof. dr. A.A. van de Loosdrecht , dr. M. Jongen-Lavrencic
Grote ‘population-based’ studies met een langdurige studie- en opvolgperiode bij myelodysplastische syndromen (MDS) gebaseerd op gegevens van landelijk dekkende kankerregistraties ontbreken. Wij beschreven trends in incidentie, primaire behandeling en overleving van patienten met een MDS die tussen 2001 en 2010 werden gediagnosticeerd in Nederland, gebaseerd op gegevens van de landelijk dekkende Nederlandse Kankerregistratie (NKR). De NKR neemt patienten met MDS op indien de diagnose door middel van histologisch en/of cytologisch onderzoek is bevestigd. In de periode 2001–2010 betreft het 5.144 nieuwe gevallen. De mediane leeftijd bij diagnose was 74 jaar en 66% van de patienten was ≥70 jaar. Het gestandaardiseerde incidentiecijfer per 100.000 persoonsjaren steeg van 2,3 in 2001–2005 naar 2,8 in 2006–2010 en bleef sinds 2007 stabiel rond 2,8. Het incidentiecijfer was hoger bij mannen dan bij vrouwen (respectievelijk 3,7/100.000 en 1,9/100.000 in 2006-2010). De leeftijdsspecifieke incidentie nam met de leeftijd toe en was het hoogst in de leeftijdscategorie ≥80 jaar (32,1/100.000 in 2006–2010). Het aandeel gevallen dat geen subclassificatie kreeg, bedroeg 49% van alle MDS-gevallen. Van de 5.144 patienten kregen 4.562 (89%) geen behandeling of alleen ondersteunende zorg, 422 (8%) intensieve behandeling en 160 (3%) een andere vorm van primaire behandeling. De relatieve vijfjaarsoverleving was 37% in 2001–2005 en 38% in 2006–2010. De waargenomen incidentie van MDS nam hoogstwaarschijnlijk toe als gevolg van een beter bewustzijn van het ziektebeeld en verbeterde registratie in de NKR. De morfologische classificatie van MDS lijkt lastig te zijn, aangezien bijna de helft van de gevallen niet werd geclassificeerd in een diagnostisch subtype. De overleving bleef gedurende de studieperiode vrijwel onveranderd, wat waarschijnlijk te maken had met de beperkte beschikbaarheid aan therapeutische middelen. Het is daarom van groot belang dat de behandeling van MDS in de toekomst verbetert.
(NED TIJDSCHR HEMATOL 2015;12:47–57)
Lees verder